Edgar Stene prijs 2019

Eind vorig jaar drukte ik enigszins wat nerveus op Verzenden, en daarmee was mijn inzending voor de Edgar Stene prijs een feit. De Edgar Stene prijs is een jaarlijkse schrijfwedstrijd voor mensen met een vorm van reuma, een groep waarbij ik een vinkje kan zetten. 

Afgelopen jaar had het als thema ‘werk’, specifieker nog: de ideale werkgever. Grappig weetje: mijn baas tipte mij op deze schrijfwedstrijd. En ik won ‘m ook nog eens.  Lees je mee?

We zijn er nog niet helemaal over uit: vond ik mijn ideale werkgever of vond zij mij? En misschien is het ook wel een samenloop van omstandigheden waardoor we elkaar vonden, helemaal idyllisch.

Al geloofde ik er eerlijk gezegd toentertijd helemaal niets van, dat ik daadwerkelijk een baan aangeboden kreeg. Waarom in vredesnaam zou een werkgever mij, een afgekeurde Wajonger die een dag werken op dat moment niet volhield, met geen afgeronde diploma’s, een baan als consultant aanbieden? Het mocht duidelijk zijn, mijn toekomstige werkgever keek meer naar mij dan ik op dat moment zelf kon. Ik zag mijzelf niet als een volwaardig iemand voor de arbeidsmarkt. Ik schreeuwde van de daken dat werkgevers verder moesten kijken dan naar academisch bewijs, dat persoonlijkheid, karakter en ervaring zoveel meer verteld dan een afgerond diploma. Hoe zat het ook alweer? De pot verwijt de ketel…?
Ik ben blij dat mijn werkgever daadwerkelijk naar mij keek, dat zij dat hele plaatje wel zag. Zo kon ik het zelf ook weer gaan zien. En nog belangrijker, geloven.

Als 17-jarige werd ik duurzaam afgekeurd voor de arbeidsmarkt. Een domper als 17-jarige, maar het haalde ook duizend kilo zorgen van mijn schouders. Ik durfde wat meer te dromen over mogelijk het huis uit gaan en studeren. Dat dat wat anders liep, dat is het leven. Op kamers ging prima, al bleef ik het eerste half jaar dicht bij huis. Dat studeren, dat ging minder. We werden niet zulke goede vrienden als ik had bedacht. Mijn lijf trok het niet en het maakte niet uit of het HBO of WO was: studeren en ik waren geen match voor elkaar in die setting. Vrijwilligerswerk en ik echter wel. Van theater tot aan spellenbeurzen, van kinderfilmfestivals tot aan het organiseren van vakanties: ik stond vooraan en gaf ziel en zaligheid. Ik bloeide op en deed waar ik goed in ben: mensen zien, ze een stap verder helpen en samen genieten van het leuke leven.

Nieuwe wet- en regelgeving maakte dat ik mijn flexibele en laagdrempelige vrijwilligerswerk meer achter mij moest laten: ik moest op zoek naar een betaalde baan want mijn veilige Wajong kreeg een andere vorm. Doodeng vond ik dat. Want dat ik meer was dan een Wajong-stempel en meer-vragen-dan-antwoorden-c.v, wist ik wel. Hoe ik dit moest vertalen naar werk, was mij echter een groot raadsel. Dat er in het werk variatie en flexibele werktijden bij kwamen kijken, was mij wel geheel duidelijk. Maar hoe verkoop je dit nou leuk bij een gesprek? Ik had geen idee.

Dit alles bij elkaar maakte dat ik niet verder durfde te kijken dan dat mijn behaalde papieren lieten zien: een slimme meid die de eindstreep bij het HBO noch WO gehaald heeft. De functies die het UWV mij aanraadde zorgde dat dat gevoel bevestigd werd: wet- en regelgeving vond dat ik inmiddels geschikt was voor intensief werk in supermarkten, mijn lijf en ik waren het daar stelling mee oneens. Ook zag ik mijzelf depressief worden achter de telefoon bij verzekeringen of klantenservices. Ik weet dat je meer bent dan je werk, het mocht mij wel iets meer passen. Letterlijk en figuurlijk.

Ik bleef mijn vrijwilligerswerk doen. En ik koos dat vrijwilligerswerk uit waar ik blij van werd. Leuke mensen waren voor mij een pre. Want leuke mensen zijn fijn. En soms brengen ze je nog wat meer, zoals nieuw werk……
Het was na een trainingsweekend van een van mijn vrijwilligersactiviteiten dat een trainer naar mij toe kwam: dat het wel eens tijd werd dat we samen om tafel gingen zitten om te kijken wat we voor elkaar konden betekenen. Wat dat mogelijk kón betekenen, was mij nog even een raadsel, maar het leek mij sowieso een goed plan.

Op een grijze dag in oktober stapte ik wat zenuwachtig de lift in. En een klein uurtje later stapte ik wat overdonderd de lift weer uit. Wat was er nou net gebeurd?

Eenmaal beneden belde ik hysterisch mijn broer, die er geen hout van snapte van wat ik hem vertelde. Logisch, want wanneer ik helemaal door het dolle heen ben, spreek ik wartaal. En dat ik door het dolle heen was, had hij en zijn vriendin ook wel door. Want tussen het idiote gegil en wat woorden door, werd het hen duidelijk dat ik gevonden had wat ik zocht. Een baan. Een betaalde baan. Eentje met uitdaging, te veel zelfs om nu over na te denken. Een baan met ruimte om te groeien. Als werknemer. Als persoon. Qua werk, kennis en uren. Waarin flexibel werken de norm is, in plaats van de uitzondering. Waarin de werknemer als persoon centraal staat, in plaats van dat je een nummer bent die gewoon zijn werk moet doen. En vooral een baan waarin ik werd gezien als Lotte die een heleboel kan en die soms even een pauze nodig heeft.

Vorig jaar (zomer 2017) gaf ik een feestje, want mooie momenten mag je vieren. Het was een ‘Hoera-ik-ben-uit-de-Wajong!-feestje’. Want ik vierde dat ik sinds een jaar genoeg verdiende om het UWV niet meer nodig te hebben. Iets wat ik 5 jaar geleden niet had kunnen bedenken. Of over durfde te dromen.

Mijn werk, en meer nog mijn werkgever en collega’s, heeft mij meer gebracht dan losstaan van het UWV. Het heeft mij ruimte gegeven om weer te geloven in mijzelf, om mijzelf als persoon te laten groeien tot iemand die met de dag meer ambitie en lef krijgt en zichzelf af en toe moet terugfluiten. Zodat ik zie waar ik 5 jaar geleden stond en waar ik nu sta. Ik durf weer te dromen en om verder te kijken dan de norm en verwachtingen.
Ik schreeuw niet meer van de daken dat werkgevers, of mensen in het algemeen, verder mogen kijken dan behaalde diploma’s of sociale stempels. Ik laat ze het veel liever zien.